Zo spreekt de Heer: Gij moet een vreemdeling niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte.
Weduwen en wezen mag je evenmin uitbuiten.
Doe je dat toch en smeken zij mij om hulp, dan zal ik zeker naar hen luisteren:
ik zal in woede ontsteken en ieder van jullie doden, en dan zullen jullie eigen vrouwen weduwe worden en jullie kinderen wees.
Als je geld leent aan iemand van mijn volk die armoede lijdt, gedraag je dan niet als een geldschieter en vraag geen rente van hem.
Als je iemands mantel als onderpand neemt, moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven,
want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken. Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen? Als hij mij om hulp smeekt, zal ik naar hem luisteren, want ik ben een genadige God.
Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij,
mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder.
Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind.
Mijn schild, mijn behoud, mijn bescherming.
Wanneer ik de Heer aanroep, Hij zij geprezen,
dan doet geen vijand mij kwaad.
De Heer zij geprezen, gezegend mijn rots;
verheerlijkt zij God, mijn verlosser.
Want Gij hebt uw koning de zegen geschonken,
en genade bewezen aan zijn gezalfde.
In die tijd toen de Farizeeën vernamen dat Jezus de Sadduceeen de mond gesnoerd had, kwamen zij bijeen
en een van hen, een wetgeleerde, vroeg Hem om Hem op de proef te stellen:
'Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet?'
Hij antwoordde hem: 'Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand.
Dit is het voornaamste en eerste gebod.
Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.
Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.'
Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling & vernieuwingen
Om de bijbellezingen iedere morgen in Uw mailbox te ontvangen, kunt u zich hier inschrijven : dagelijksevangelie.org