Lezing van de dag

Lezingen van zondag 19 april 2026

Eerste lezing

Uit de Handelingen der apostelen 2,14.22-33.

Op Pinksteren trad Petrus naar voren met de elf en verhief zijn stem om het woord tot hen te richten:
'Gij allen, joodse mannen en bewoners van Jeruza­lem, weet dit wel en luistert aandachtig naar mijn woorden.
Mannen van Israel, luistert naar deze woorden: Jezus de Nazoreeer was een man wiens zending tot u
van Godswege bekrachtigd is. Gij kent immers zelf de machtige daden, wonderen en tekenen, die God door Hem onder u heeft verricht.
Hem, die volgens Gods vastgestelde raadsbesluit en voorkennis is uitgeleverd,
hebt gij door de hand van goddelozen aan het kruis genageld en gedood.
Maar God heeft Hem ten leven opgewekt na de smarten van de dood te hebben ontbonden;
want het was onmogelijk dat Hij daardoor werd vastgehouden.
Doelend op Hem toch zegt David: De Heer had ik voor ogen, altijd door,
Hij is aan mijn rechter­hand, opdat ik niet zou wankelen;
daarom is er blijdschap in mijn hart en jubelt mijn mond van vreugde;
ja, ook mijn lichaam zal rust vinden in hoop,
omdat Gij mijn ziel niet over zult laten aan het dodenrijk en uw heilige geen bederf zult laten zien.
Wegen ten leven hebt Gij mij doen kennen, Gij zult mij met vreugde vervul­len voor uw aanschijn.
Mannen broeders, ik mag wel vrijuit tot u zeggen van de aartsva­der David, dat hij gestorven
en begraven is; we hebben immers zijn graf bij ons tot op deze dag.
Welnu, omdat hij een profeet was en wist, dat God hem een eed gezworen had,
dat Hij een van zijn nakomelin­gen op zijn troon zou doen zetelen,
zei hij met een blik in de toekomst over de verrijze­nis van Christus,
dat Hij niet is overgelaten aan het dodenrijk en dat zijn lichaam het bederf niet heeft gezien.
Deze Jezus heeft God doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen.
Verheven aan Gods rechterhand heeft Hij de beloofde heilige Geest
van de Vader ontvangen en Deze uitgestort, zoals gij ziet en gij hoort.

Psalm

Psalmen 16(15),1-2a.5.7-8.9-10.11.

Behoed mij, o God, tot U neem ik mijn toevlucht;
Gij zijt mijn Heer ik erken het.
De Heer is mijn erfdeel, mijn dronk uit de beker,
Hij heeft mijn lot voor in zijn hand.

Ik dank de Heer die mij altijd geleid heeft,
Hij spreekt ook des nachts tot mijn hart.
Steeds houd ik mijn ogen gericht op de Heer
ik val niet, want Hij staat naast mij.

Daarom ben ik vrolijk en blij van geest
daarom kan ik rustig gaan slapen.
Mijn ziel laat Gij niet aan het dodenrijk over
Gij levert mij niet uit aan het graf

Gij zult mij de weg van het leven wijzen
om heel mij vreugde te vinden bij U,
bestendig geluk aan uw zijde.

Evangelielezing

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 24,13-35.

Op de eerste dag der week waren er twee leerlingen van Jezus op weg naar een dorp dat Emmaüs heette en dat zestig stadiën van Jeruzalem lag.
Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen.
Terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf op hen toe en liep met hen mee.
Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen.
Hij vroeg hun: 'Wat is dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?' Met een bedrukt gezicht bleven ze staan.
Een van hen, die Kleopas heette, nam het woord en sprak tot Hem: 'Zijt Gij dan de enige vreem­deling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?
Hij vroeg hun: 'Wat dan?' Ze antwoordden hem: 'Dat met Jezus de Nazarener, een man die profeet was, machtig in daad en woord in het oog van God en heel het volk;
hoe onze hogepriesters en overheidspersonen Hem hebben overgele­verd om ter dood te worden veroordeeld en Hem aan het kruis hebben geslagen.
En wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israel ging verlossen! Maar met dit al is het reeds de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn.
Zelfs hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht; ze waren in de vroegte naar het graf geweest,
maar hadden zijn lichaam niet gevonden en kwamen zeggen, dat zij ook nog een verschij­ning van engelen hadden gehad, die verklaarden dat Hij weer leefde.
Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan en bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden, maar Hem zagen ze niet.'
Nu sprak Hij tot hen: 'O onverstan­digen, die zo traag van hart zijt in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben!
Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?'
Beginnend met Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten wat in al de Schriften op Hem betrekking had.
Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen, maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan.
Zij drongen bij Hem aan: 'Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde.' Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven.
Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte het hun toe.
Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht.
Toen zeiden ze tot elkaar: 'Brandde ons hart niet in ons, terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?'
Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug. Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen.
Deze verklaarden: De Heer is werkelijk verrezen, Hij is aan Simon verschenen.'
En zij van hun kant vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het brood.


Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling & vernieuwingen
Om de bijbellezingen iedere morgen in Uw mailbox te ontvangen, kunt u zich hier inschrijven : dagelijksevangelie.org